Cliff Jones Jr.

Core Vocabulary in Dutch #

What are the most basic concepts that virtually all languages express? I’ve done my best to answer this question with a list of 200 core vocabulary items, and this is the Dutch (Netherlands) version. To learn how I settled on these particular concepts and see what other languages have been added so far, check out “Core Vocabulary Across Languages.”


Abbreviations #

c = common gender (“de”)

n = neuter gender (“het”)


Nouns #

  1. name = naam (c)
  2. water = water (n)
  3. blood = bloed (n)
  4. fire = vuur (n)
  5. stone/rock = steen (c), rots (c)
  6. dog = hond (c)
  7. fish = vis (c)
  8. louse/flea = luis (c), vlo (c)
  9. hand/arm = hand (c), arm (c)
  10. eye = oog (n)
  11. ear = oor (n)
  12. nose = neus (c)
  13. tongue = tong (c)
  14. tooth = tand (c)
  15. bone = bot (n)
  16. horn = hoorn (c)
  17. tail = staart (c)
  18. egg = ei (n)
  19. leaf = blad (n)
  20. night/evening = nacht (c), avond (c)
  21. star = ster (c)
  22. sun = zon (c)
  23. moon = maan (c)
  24. earth/soil = aarde (c), bodem (c)
  25. salt = zout (n)
  26. mountain = berg (c)
  27. tree = boom (c)
  28. rain = regen (c)
  29. wind = wind (c)
  30. bird = vogel (c)
  31. flesh/meat = vlees (n)
  32. liver = lever (c)
  33. skin/hide = huid (c), vel (n)
  34. knee = knie (c)
  35. breast/chest = borst (c)
  36. person/human = persoon (c), mens (c)
  37. man = man (c)
  38. woman = vrouw (c)
  39. child = kind (n)
  40. hair/fur = haar (n), pels (c)
  41. mouth = mond (c)
  42. neck = nek (c)
  43. foot/leg = voet (c), been (n)
  44. feather = veer (c), pluim (c)
  45. grease/fat = vet (n), smeer (n)
  46. smoke = rook (c)
  47. ash/soot = as (c), roet (n)
  48. sand = zand (n)
  49. wood = hout (n)
  50. root = wortel (c)
  51. rope/cord = touw (n), koord (n)
  52. path/road = pad (n), weg (c)
  53. year = jaar (n)

Verbs #

  1. die = sterven, doodgaan
  2. see/look/watch = zien, kijken
  3. hear/listen = horen, luisteren
  4. know = weten, kennen
  5. drink = drinken
  6. give = geven
  7. come = komen
  8. stand = staan
  9. sit/set = zitten
  10. lie/lay = liggen, leggen
  11. fly = vliegen
  12. eat = eten
  13. bite = bijten
  14. burn = branden
  15. kill = doden, vermoorden
  16. say = zeggen, vertellen, spreken, praten
  17. laugh = lachen

Adjectives #

  1. new = nieuw
  2. full = vol
  3. good = goed
  4. long = lang
  5. red = rood
  6. black = zwart
  7. white = wit
  8. green = groen
  9. yellow = geel
  10. small/little = klein
  11. big/large = groot
  12. wide/broad = wijd, breed
  13. heavy = zwaar
  14. old = oud
  15. dry = droog

Other #

  1. I/me = ik/me/mij
  2. you = je/jij/jou, u, jullie
  3. what/which = wat, welke
  4. who/whom = wie
  5. one/a/an = een, één
  6. two = twee
  7. not/no = niet, nee
  8. this/these = dit/deze
  9. we/us = we/wij/ons
  10. all/everything/everyone = al/alle, alles, allemaal, iedereen

Nouns, Secondary #

  1. time/instance/occurrence = tijd (c), poos (c), uur (n), keer (c), gelegenheid (c)
  2. shade/shadow = schaduw (c)
  3. house/home = huis (n), woning (c), thuis (n)
  4. head = hoofd (n)
  5. belly/abdomen = buik (c)
  6. navel/belly-button = navel (c)
  7. heart/core = hart (n), kern (c), pit (c)
  8. back = rug (c)
  9. thigh = dij (c)
  10. wing = vleugel (c), vlerk (c)
  11. nail/claw/nail = nagel (c), klauw (c)
  12. animal/beast = dier (n), beest (n)
  13. ant = mier (c)
  14. cat = kat (c)
  15. pig = varken (n)
  16. snake = slang (c)
  17. worm = worm (c)
  18. parent/father/mother = ouder (c), vader (c), moeder (c)
  19. brother/sister = broeder/broer (c), zuster/zus (c)
  20. spouse/husband/wife = gade (c), eega (c), echtgenoot/echtgenote (c), wederhelft (c), man (c), vrouw (c)
  21. day = dag (c), etmaal (n)
  22. cloud = wolk (c)
  23. snow = sneeuw (c)
  24. ice = ijs (n)
  25. river/stream = rivier (c), stroom (c)
  26. sea/ocean = zee (c), oceaan (c), wereldzee (c)
  27. seed = zaad (n)
  28. grass/lawn = gras (n), gazon (n)
  29. flower/blossom = bloem (c), bloesem (c)
  30. bark/husk = schors (c), schaal (c)

Verbs, Secondary #

  1. do/make = doen, maken
  2. be = zijn
  3. become/get = worden
  4. have = hebben
  5. want = willen
  6. can/be-able-to = kunnen, vermogen, in staat zijn
  7. think/consider = denken, overwegen
  8. go = gaan
  9. walk/run = lopen, rennen
  10. take = nemen
  11. carry/wear = dragen, voeren
  12. tie/bind = knopen, binden
  13. hide = verbergen
  14. fall = vallen
  15. cry/weep = huilen, wenen
  16. blow = blazen
  17. suck = zuigen
  18. hit/beat = slaan, verslaan
  19. crush/grind = verpletteren, malen
  20. live = leven
  21. sleep = slapen
  22. work = werken
  23. play = spelen
  24. swim = zwemmen
  25. hunt = jagen
  26. dance = dansen
  27. sing = zingen
  28. count = tellen
  29. vomit = kotsen

Adjectives, Secondary #

  1. right/correct/proper = goed, juist, juiste, recht, terecht, correct
  2. bad/wrong = slecht, verkeerd
  3. far/distant = ver
  4. hard (not soft) = hard
  5. thick = dik
  6. thin = dun
  7. narrow = smal
  8. sweet = zoet
  9. bitter = bitter
  10. hot = heet
  11. warm = warm
  12. cold = koud
  13. wet = nat
  14. smooth = glad
  15. sharp = scherp
  16. dull (not sharp) = bot
  17. dirty = vies
  18. short = kort
  19. round = rond

Other, Secondary #

  1. it/he/him/she/her/they/them/the = het, hij/hem/'m, ze/zij/haar, ze/zij/hen/hun, de/het/'t
  2. itself/oneself/himself/herself/themself/-self = zich, zichzelf, zelf, hijzelf, haarzelf, hunzelf
  3. that/those = dat/die
  4. other/another/others = ander, anderen
  5. no/none/no-one = nee, geen, niemand
  6. and = en
  7. or = of
  8. but/yet/except = maar, nog, toch, behalve
  9. at/in/on = aan, in, op
  10. to/toward = naar
  11. of/from/’s (possessive) = van, uit, -s
  12. by/through/per/for/because = door, bij, per, omdat
  13. with = met
  14. over/above/on = boven, op
  15. for/in-order-to = voor, om te
  16. so/then (effect) = dus, dan
  17. then/right-away (sequence) = dan, meteen
  18. now/still/doing (ongoing) = nu, nog, -d (progressive aspect)
  19. did/done (past) = -te/-de/-ten/-den (past tense), ge- -t/-d (perfect aspect)
  20. will/be-going-to (future) = zullen
  21. much/many = veel
  22. very/really = erg, zeer, heel, echt
  23. where = waar
  24. when = wanneer
  25. how/like/as = hoe, zoals, als
  26. if/whether = als, of
  27. yesterday = gisteren